![]() |
|||
|
|
Slovenië is klein, maar smakelijk Haagsche Courant Door Alice Plekkenpol Mei, 2005 Slowakije zeg je? Nee, Slovenië. O, waar ligt dat ergens? Veel Nederlanders zal het zo vergaan, terwijl het jonge land toch altijd op ruime belangstelling van buitenlandse toeristen mocht rekenen. Want hoe velen hebben niet ooit vanuit Karinthië een dagtocht naar Bled gemaakt? Hoogste tijd voor een hernieuwde kennismaking.
Hoe anders zien de dieren er uit als ze volgroeid zijn tot prachtige witte Lippizaners. ‘Net als mensen verliezen zij hun pigment, alleen wat sneller natuurlijk, zo tussen het vierde en tiende jaar,’ vertelt een gids. We zijn hier in het Sloveense Lipica, sinds 1580 bakermat van de Lippizaners, die vooral via de Spaanse rijschool in Wenen wereldroem vergaarden. De gids legt uit dat de mooiste dieren voor het fokken en de shows worden gebruikt. De B-categorie is voor toeristen die hier mogen paardrijden, variërend van een uur tot een week. En mochten ze helemaal verknocht raken aan ‘hun’ paard, dan bestaat zelfs de mogelijkheid een heuse Lippizaner te kopen. Over bijzondere souvenirs gesproken. Lipica ligt slechts een halve kilometer van de Italiaanse grens, maar toch ook weer op autovriendelijke afstand van het binnenland. Slovenië is namelijk vrij klein. Dat heeft als nadeel dat je er, komend uit Oostenrijk of Noord-Italië, zo doorheen tuft. Het voordeel is dat je in korte tijd alle hoogtepunten van het land kunt zien. En dat zijn er nogal wat. Wat te denken van een bezoek aan de druipsteengrotten. Welke? Roept u maar, het land telt er zeker achtduizend. Alleen al in de laatste tien jaar werden er duizend ontdekt, vooral bij graafwerkzaamheden ten behoeve van het zich snel uitbreidende wegennet. De 25 grootste zijn opengesteld voor het publiek.
De bekendste grot is die van Postojna, want ook de best
begaanbare. Zelfs wie niet goed ter been is kan hier met
een treintje doorheen rijden. Wij kiezen echter voor die
van Skocjan, iets kleiner, net zo spectaculair mede
dankzij een woest stromende rivier, maar uitsluitend
anderhalf uur lang te voet te verkennen.
De grot ligt bovendien in een nationaal park, zodat er
ook bovengronds zoveel te genieten valt dat je er
met gemak een dag kunt doorbrengen. Neem overigens wel
een vest mee, beneden is het slechts twaalf graden.
Voor de hoofdstad Ljubljana moet je eigenlijk
ook minimaal een dag uittrekken. Het heeft pakweg de
omvang van Den Haag. Door het, ‘Kun je in de rivier zwemmen?’ willen we weten. ‘Ja, maar het is niet veilig, vanwege de waterman,’ grinnikt een jongeman. Dat vraagt om uitleg. ‘Tijdens een feest op de oever wilde een hooghartige vrouw, Urska, met niemand dansen, op één man na. Het bleek de rivierbewoner. Hij danste met haar het water in en zij kwam nooit meer boven.’ Slovenen zijn dol op dit soort legenden, die zowel in de grote steden als op het platteland in ere worden gehouden middels feesten en festivals. Het contrast met het platteland is toch al niet zo groot. Word je in veel Balkanlanden buiten de steden met armoede en achterstallig onderhoud geconfronteerd, zo niet in Slovenië. Van oudsher richtte dit gebied, ook toen het nog deel uitmaakte van het grote Joegoslavië, zich altijd sterk op Oostenrijk en Italië. Dat merk je aan alles. Of het nu gaat om architectuur, de keuken, kleding of levensstijl. Een Sloveen komt pünktlich op tijd voor een afspraak, maar combineert ook graag een pizza met Sloveens gebak. Nederlandse toeristen zie je vooral langs de kust en op de campings in de omgeving van Bled. Deze plaats in de Alpen is een van de oudste toeristische bestemmingen in het land. Zo toeristisch zelfs, dat de meeste Slovenen het meer van Bled mijden. Maar het blijft leuk en tijdloos om in een ‘pletna’, de traditionele gondel, naar het eilandje gebracht te worden, zelf de kerkklok te luiden en een wens te doen, het oudste (elfde eeuw) kasteel van het land te bezoeken of superchique te lunchen in Vila Bled.
Dat laatste gebouw, ontworpen door ’s lands bekendste architect Joze Plecnik, was ooit het zomerverblijf van koning Alexander, en werd na de Tweede Wereldoorlog herbouwd tot zomerverblijf van president Tito. Nu is het een vier sterrenhotel. Laat u vooral niet afschrikken door de rode lopers en marmeren hal, maar stap gerust naar binnen voor een elegante, en vooral zeer betaalbare (circa 17 euro) warme lunch op het terras met magnifiek uitzicht over het meer. Neem meteen een kijkje in enkele kamers waar Tito verbleef, er is in Slovenië namelijk nauwelijks nog iets te vinden dat aan hem herinnert. Een autotocht door de Alpen rondom Bled is tevens een aanrader. In de verte steekt de hoogste berg Triglav (2845 meter) boven alles uit. Boven op de berg staat een metalen schuilhut die plaats biedt aan enkele personen. Geen overbodige luxe, want de berg is voor de Slovenen een heus pelgrimsoord. ‘Om een echte Sloveen te zijn moet je de berg minimaal een keer bedwongen hebben’, luidt het spreekwoord. Aangezien bergbeklimmen niet voor iedereen is weggelegd, bestaan er vage plannen voor de aanleg van een kabelbaan. Eerder wilde een Oostenrijks concern een hotel op de berg bouwen, maar Jakob Aljaz, een gewiekste Sloveense priester, voorkwam dit door de bergtop te kopen en uit te roepen tot nationaal park. Liefhebbers van de kust zakken tenslotte af naar plaatsen als Izola, Portoroz en het pittoreske Piran, dat letterlijk in de verte, aan Venetië doet denken. Het wemelt aan de kust trouwens van de Italianen, die graag overkomen voor een dagje casino. Triëste ligt om de hoek, en met de snelle veerboot ben je in ruim twee uur zelfs in Venetië. Leuk voor een dagtocht als je een paar weken in Slovenië bent. Om vervolgens snel terug te keren naar de relatieve rust aan de overzijde van de Adriatische Zee. Want hoewel het toerisme weer behoorlijk aantrekt, wordt je in Slovenië als reiziger niet geconfronteerd met hordes vakantiegangers. En dat is wel zo prettig als je tijdens een zwoele zomeravond op een terras aan het water de dag afsluit met een heerlijk diner, goede wijn en uitvarende garnalenvissers. Zo moet vakantie ooit bedoeld zijn.
|
||
|
naar boven
|
|||